Domweg gelukkig in de Ranonkelstraat

Vroeger buitenspelen in Malburgen-Oost – een ingezonden column

Door Erlend Joséphy

Er waren in eerste instantie niet zo gek veel gezinnen uit Arnhem Noord, die in 1950 genegen waren om in een nieuwbouwwoning in de Ranonkelstraat in Malburgen-Oost te gaan wonen. Malburgen-Oost had toen namelijk niet zo’n goede naam, maar de nijpende woningnood én het aanbod van de gemeente om de stoffering van de nieuwe woning voor zijn rekening te nemen trokken uiteindelijk toch een aantal gezinnen over de streep.

Rijnbad, stoepranden, knikkeren

In die tijd wilde je als kind graag buitenspelen en dat deed je in weer en wind. Natuurlijk waren de zomers het fijnste. Bij warm weer kon je gaan zwemmen in het Rijnbad, een kribvak tussen 2 kribben, waarin op een vlonder enkele kleedhokjes waren gemaakt, bereikbaar via een dwarssteiger. Omdat bekend was dat de jeugdige zwemmers (m/v) daar ook vaak hun behoefte in het water deden was dat achteraf bezien eigenlijk helemaal niet zo fris, maar ja, “achteraf is het mooi wonen” hoor je wel eens. En als je niet ging zwemmen, dan moest je je op de nog nauwelijks door auto’s vervuilde straat zien te vermaken. Stoepranden, waarbij je met een bal de stoeprand van de tegenstander moest zien te raken was behoorlijk populair, net als knikkeren, kastieën -een soort honkbal met een zelfgemaakt slaghout- en pinkelen.

Pinkelen

Pinkelen speelde je zo: Je legde twee bakstenen naast elkaar neer, met wat ruimte er tussen. Met een grote stok wipte je dan een klein stokje weg dat op die twee bakstenen lag. Als het weggewipte stokje door de tegenpartij dan niet werd gevangen of als je niet werd afgegooid kwam de tweede ronde. Dan wipte je het kleine stokje op met de grote stok om dat opgewipte stokje in de lucht weg te slaan met de grote stok. De afstand tussen bakstenen en het weggemikte op de grond gevallen stokje mat je door “poten”. Poten deed je door het aantal hele voetstappen te meten, met -als een hele voetstap er niet meer in zat- als laatste een halve (= een dwarse) voetstap.

Hudora’s

[tekst loopt door onder beeld]

Ja, en als je dan gevraagd werd wat je voor je verjaardag wilde hebben, dan waren het natuurlijk rolschaatsen, en niet zomaar rolschaatsen, maar die van het merk Hudora (een Duits bedrijf – maar dat wist je toen nog niet- dat in 1919 als fabriek van (rol)schaatsen werd opgericht door Hugo Dornseif in Radevormwald een plaatsje in Noordrijn-Westfalen).  Deze Hudora’s bestonden uit een stalen – in lengte verstelbare – voetplaat, met aan de achterkant een leren band met riempje en aan de voorkant aan beide zijden een klembeugel, die je met een sleutel tegen de zool van je schoen kon draaien, zodat de rolschaats goed vast zat. De wielen waren van staal, en dat kon je horen ook.

Achteraf kan ik mij de ergernis van vele Ranonkel- en Veronicastraatbewoners wel voorstellen als er weer zo’n plukje rolschaatsers een wedstrijdrondje had georganiseerd en met veel lawaai langs hun huizen sjeesde. Dat was voor mij voorlopig afgelopen toen ik op een dag over een wat verzakte tegel struikelde en mijn pols brak. Die werd gezet en van gips voorzien in het St. Elisabeth’s Gasthuis en met die harde gipsarm kon ik mij goed verdedigen tegen mijn plagerig oudere zusje. Zoals Johan Cruijff zei “Ieder nadeel hep su voordeel.”

Reacties