Wie op de Gulden Bodem van de Van Heemstralaan via de Gerard Douweg naar de Joris van der Haagenlaan loopt, kan hem gemakkelijk missen. Verscholen tussen bomen en struiken, ligt daar, amper zichtbaar, een ronde, met groen eendenkroos overdekte waterpartij. “Stoere jongens gingen er vroeger in zwemmen”, vertelt een vrouw van middelbare leeftijd die vlakbij opgroeide en er nu haar hond uitlaat. “Als meisjes mochten we dat niet: te gevaarlijk.” In de volksmond heet deze poel ‘de brandvijver’. Hij zou ooit op landgoed Gulden Bodem zijn aangelegd als bluswaterreservoir. Mooi verhaal. Alleen: het klopt niet.
(tekst en foto’s Henk Donkers)
Het gangbare verhaal – zoals Lonneke Kranendonk dat beschrijft in het themanummer over vuur in het kwartaalblad van de Vrienden van Sonsbeek * – is dat deze waterpartij ooit – lang voor de bouw van de wijken Gulden Bodem en Hoogkamp – is aangelegd als brandvijver om bij brand op landgoed Gulden Bodem over voldoende bluswater te beschikken. Brandvijvers waren belangrijke voorzieningen voor de brandbestrijding in een tijd dat daarvoor geen aparte infrastructuur bestond zoals we die nu kennen met de bekende rode kranen waarop de brandweer zijn slangen kan aansluiten. Ze werden op strategische plekken aangelegd bij landhuizen, boerderijen en gebouwen, en konden gevuld worden met regen-, beek- of grondwater. In stedelijke gebieden verdwenen ze veelal door de opkomst van de moderne bluswaterinfrastructuur, maar in parken en buitenplaatsen zijn ze soms nog terug te vinden.

Vijvers in Sonsbeek en Zypendaal
In de parken Sonsbeek en Zypendaal ligt een hele serie vijvers in het dal van Sint Jansbeek. Ze zijn onderdeel van het landschapsontwerp en hebben nu vooral esthetische waarde. Vroeger hadden ze ook een economische functie omdat ze de watermolens in het dal van de Sint-Jansbeek jaar-rond draaiende hielden. De vijvers dienden als ‘molenkom’: ze hielden water vast om een regelmatige afvoer naar het molenrad mogelijk te maken. En als er brand uitbrak, konden ze ingezet worden bij de brandbestrijding.
Plausibele verklaring
In het relatief hooggelegen Park Gulden Bodem ontbreken dergelijke waterpartijen. Dat zou de aanleg van een aparte vijver voor bluswater verklaren. Parkbeheerder Jan Floor kent de plek en noemt – zowel in het artikel van Kranendonk als tijdens een excursie waaraan ik deelnam – de poel ook ‘de brandvijver’. Volgens hem is het een betonnen bak van ongeveer 70 centimeter diep en wordt hij vanuit de omgeving via een goot gevuld met regenwater. Voor brandbestrijding wordt hij volgens Floor niet meer gebruikt. Hij vermoedt dat de vijver geen onderdeel meer is van het huidige bluswaternetwerk. De brandweer bevestigt dat.
De redenering van Kranendonk klinkt plausibel: er ligt een vijver in een hooggelegen park zonder andere waterpartijen. Vroeger hadden landgoederen als Gulden Bodem brandvijvers. Deze vijver ziet er oud uit en wordt lokaal aangeduid als ‘de brandvijver’. Het ligt dus voor de hand dat hij ooit voor brandbestrijding is aangelegd. Concreet historisch bewijs ontbreekt echter.
Twijfels
Toen ik daarnaar op zoek ging, begon ik te twijfelen aan de functie van deze waterpartij als brandvijver. Ik wilde weten wanneer hij was aangelegd en waarom hier. Ik bekeek daarvoor topografische kaarten vanaf ca. 1850 en kwam pas op een topografische kaart uit 1966 voor het eerst een blauw rondje tegen op deze plek. Op de kaarten ervoor was het gebied rond de brandvijver in gebruik als bouwland, net als de percelen waarop vanaf de jaren ’50 de huizen aan de Joris van der Haagenlaan gebouwd werden. De vijver is aangelegd buiten het eigenlijke park (de afwijkende en veel jongere vegetatie wijst daar ook op) en best wel ver van het (in 1964 gesloopte) Jachthuis. Geen voor de hand liggende locatie voor een bluswaterreservoir als je een eventuele brand in het Jachthuis of elders in het park moet blussen. Een plek vlakbij het Jachthuis of midden in het park was logischer geweest.

Stedenbouwkundige Ad Habets, die ik hierover raadpleegde, duikelde een stedenbouwkundig plan uit 1958 op over de aanleg van de Joris van der Haagenlaan waarop de vijver staat ingetekend. Het vermoeden rees dat de vijver niet als brandvijver was aangelegd maar voor wateropvang. Bij een inspectie ter plekke bleek er echter geen duidelijke afvoergoot van de Joris van der Haagenlaan naar de vijver te vinden te zijn. De trottoirband bij de overgang van de Joris van der Haagenlaan naar de Gerard Douweg verhinderde het afstromen van het water naar de vijver zelfs. De later aangelegde Gerard Douweg heeft wel een afvoergoot naar de vijver.

Gescheiden rioolstelsel
Ronald Bos, bestuursadviseur water en klimaatadaptatie bij de gemeente Arnhem, bevestigt het vermoeden van Habets. Voor de oorlog werden er volgens Bos in de hogergelegen wijken voor de brandweer wel opslagvoorzieningen aangelegd, maar geen brandvijvers. Wel ondergrondse, betonnen brandputten met een opslagcapaciteit van 6 tot 50m3. Vermoedelijk omdat de druk op de waterleiding daar te laag was. Na de oorlog werden dergelijke brandputten niet meer aangelegd en verschenen de rode bluskranen in het straatbeeld. Op de Gulden Bodem ligt ook zo’n brandput. Voordeel ervan was dat bij warm weer het water er niet uit verdampte, wat bij bovengrondse vijvers wel het geval was.
De vijver op de Gulden Bodem is volgens Bos aangelegd als onderdeel van de stedelijke ontwikkeling van Arnhem na de oorlog. Arnhem begon toen volgens Bos – heel modern voor die tijd – te experimenteren met een gescheiden rioolstelsel. Tot 1950 waren rioleringen in Nederland gemengde rioolstelsels waarbij regenwater en huishoudelijk afvalwater door dezelfde buis werden afgevoerd. Door een sterke toename van het aantal rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) vanaf de jaren ’60 en vooral ’70 kwamen de gescheiden rioolstelsels op om de rwzi’s niet onnodig te belasten met relatief schoon regenwater. In deze moderne rioolstelsels kreeg het regenwater een eigen afvoer. Dat moest wel ergens in de omgeving geloosd worden. Daarvoor werden vijvers en infiltratievoorzieningen aangelegd. De waterpartij op de Gulden Bodem is daarvan een voorbeeld. Ook in de na-oorlogse wijken Monnikenhuizen en Arnhemse Allee (aan de oostkant van de Geitenkamp) werden vijvers met infiltratieplekken aangelegd.
Constructietekeningen
Bos heeft twee constructietekeningen uit 1956 gevonden. Daarop is te zien dat het regenwater uit de Joris van der Haagenlaan en de Gerard Douweg via een regenwaterriool naar de vijver wordt afgevoerd. Bij een waterpeil boven de 65 cm stroomt het water uit de betonnen bak via een geperforeerde gresbuis in een zogenoemde puinkist. Daar kan het vervolgens in de bodem infiltreren. Het regenwater wordt dus tijdelijk geborgen in de vijver en daarna afgegeven aan de bodem.


Tegenwoordig wordt vuilwater en hemelwater in vrijwel alle nieuwbouwwijken gescheiden afgevoerd. Meestal niet in ondergrondse buizen maar over straat naar plekken waar het kan infiltreren zoals wadi’s, ondiepe groene kommen en greppels. In oudere wijken zijn nog wel regenwaterriolen en infiltratieputten of grindkoffers.
Vroeg voorbeeld
De constructietekeningen laten volgens Bos zien dat het gaat om de beginfase van een gescheiden rioolstelsel. Tegenwoordig zijn regen- en vuilwaterriolen herkenbaar aan verschillende putdeksels (vaak met de letters VW en RW of IW, voor VuilWater, RegenWater of InfiltratieWater). In de beginfase werd dat niet gedaan. Toen werden er veel kleinere afvoerbuizen gebruikt die (onzichtbaar voor wie het niet weet) van straatkolk naar straatkolk liepen. Dat was goedkoper, maar ze waren wel gevoeliger voor verstoppingen en moeilijker te onderhouden. Daarom worden ze al lang niet meer toegepast.


Ander verhaal
De vijver op de Gulden Bodem vertelt dus een heel ander verhaal dan lang gedacht. Geen verhaal over brandbestrijding, maar over de naoorlogse uitbreiding van Arnhem en de ontwikkeling van een moderne stedelijke waterhuishouding. Daarmee verdwijnt de vijver niet uit de geschiedenis van de wijk. Alleen het verhaal erachter verandert. De kleine, vrijwel vergeten waterpartij is geen ‘vergeten vuurwachter’ zoals Lonneke Kranendonk hem betitelde, maar een vergeten waterstaatkundig monumentje. Onder het eendenkroos ligt een interessant stukje geschiedenis verborgen: niet van de strijd tegen vuur, maar van hoe de stad op een duurzame manier leerde omgaan met regenwater. Het geïnfiltreerde regenwater voedt immers mede de Sint Jansbeek die hierdoor ook in droge tijden water blijft houden.
Watererfgoed
Wel is het jammer dat dit waterbouwkundige monumentje er zo slecht bij ligt. Het is een levenloze, met drek gevulde poel. Jan Zwartjes die er al 33 jaar naast woont en de poel ook ‘de brandvijver’ noemt, vertelt dat het in de vijvers van omliggende tuinen wemelt van de salamanders, maar dat ecologen van het IPC in ‘de brandvijver’ geen levende dieren hebben aangetroffen.
De ‘brandvijver’ is dus geen brandvijver. Onderhoud zou de ware geschiedenis ervan zichtbaar kunnen maken zodat deze niet onder het eendenkroos en in de drek verdwijnt. Arnhem kent een lange lijst ‘watermonumenten’ die getuigen van onze omgang met water, variërend van watervallen, opgeleide beken, grachten, singels, fonteinen en molens tot gemalen, sluisjes, dijken, kaden, dammen en bruggen. Wellicht kan deze vijver gerestaureerd worden en opgenomen worden in de lijst van gemeentelijke watermonumenten. Een waterwerk als de vermeende brandvijver ontbreekt nog.

Andere naam nodig
Decennialang heet de waterpartij al ‘de brandvijver’. Nu de brandvijver geen brandvijver blijkt te zijn, moet hij eigenlijk een andere naam krijgen. ‘De Vermeende Brandvijver’ zou kunnen of ‘De ontmaskerde Brandvijver’, maar ‘Regenwaterkom’ vind ik een betere. Die sluit mooi aan bij de ronde vorm van de vijver en is een knipoog naar de vijvers in Sonsbeek die fungeerden als ‘molenkom’.
Ontstaan van de mythe
Blijft de vraag hoe ooit het verhaal heeft kunnen ontstaan dat deze waterplas een brandvijver is. Hoe de vijver aan die naam gekomen is, is moeilijk te achterhalen. Feit is wel dat iemand die naam ooit aan deze mysterieuze waterplas gegeven heeft en dat die door anderen is overgenomen. De naam was blijkbaar zo aannemelijk dat niemand er vraagtekens bij zette. Dat iemand op die naam kwam, kan komen door de bijzondere vorm en de ligging: een ronde bak water, aan de rand van het park, los van bebouwing en verscholen in het groen. En er bestonden elders inderdaad brandvijvers op landgoederen. Dit zal er dus ook wel eentje zijn, was wellicht de gedachte. Bovendien waren het regenwaterriool en de puinkist onzichtbaar onder de grond verstopt en waren gescheiden riolen destijds een onbekende nieuwigheid. Veel volksverhalen ontstaan doordat een onbekend verschijnsel een aannemelijke verklaring krijgt. Als die vaak herhaald wordt, krijgt deze de status van een feit. Maar daarmee is deze nog niet waar. Dat deze waterplas een brandvijver is, blijkt een mythe te zijn.
*Lonneke Kranendonk. Vergeten vuurwachter: de brandvijver van Gulden Bodem. Bulletin van de Vrienden van Sonsbeek, jaargang 37, nr.2 (zomer 2025), p12-13
Mooi dat Henk Donkers verder in deze geschiedenis is gedoken. Juist door op zoek te gaan naar het oorspronkelijke verhaal achter de ‘brandvijver’ zijn er nieuwe inzichten boven water gekomen.
De oude bouwtekeningen van de Joris van der Haagenlaan uit 1956 maken veel duidelijk: deze bijzondere waterpartij blijkt waarschijnlijk geen brandvijver te zijn geweest, maar onderdeel van een vroeg systeem voor het opvangen en laten infiltreren van regenwater. Een interessant stukje Arnhemse watergeschiedenis dus!
En ik vind ‘Regenwaterkom’ eigenlijk een prachtige nieuwe naam. Die doet meer recht aan de functie én aan de bijzondere ronde vorm van de vijver.
Mooi hoe zo’n klein, verscholen stukje groen ineens een heel ander verhaal blijkt te vertellen. En misschien is dat wel het leukste aan lokale geschiedenis: soms moet je alleen even verder graven…
Een lezer uit de Joris van der Haagenlaan laat weten dat de bungalows die daar vanaf de jaren ’50 gebouwd zijn voor de afvoer van hemelwater nooit zijn aangesloten op de riolering, ook niet op het regenwaterriool. Dat voerde alleen het hemelwater van de straat af naar de vijver aan de Gerard Douweg. De huizen hadden eigen zinkputten voor het hemelwater. Ze waren dus al vroeg afgekoppeld van het riool.