27 juli 2026
12 min lezen

Carel Beke: de schrijver van ‘Pim Pandoer. Het spook van Sonsbeek’ en 99 andere boeken.

Carel Beke achter zijn Triumph-schrijfmachine. Foto Collectie Anneke Bolder Beke

Schrijversportret

Wie – net als ik – jong was in de jaren ’60 en wel eens een boek las, kent waarschijnlijk de jongensboeken van Arendsoog en Pim Pandoer. De schrijver van de Pim Pandoer-serie (18 boeken) woonde tussen 1944 en 2006 vijftig jaar in Arnhem, vlakbij Park Sonsbeek. Voor deze gelegenheid heb ik ‘Pim Pandoer. Het spook van Sonsbeek’ uit 1961 opnieuw gelezen. Beke kende het park als zijn broekzak en koos het als decor voor een spannend jongensboek. Wie was deze schrijver?

(Tekst Henk Donkers)

“Een sportief gekleed jong meisje trippelde kwiek tussen twee jongeheren in. Het drietal liep een tiental meters voor een oude dame uit, die – stevig leunend op een glimmend zwarte ebbenhouten wandelstok – de jongelui trachtte bij te houden. 

Het was nog vroeg, en de stralende junizon scheen recht over de grote weide heen, tegen de voorgevels van de Zypendaalseweg.”

Zo begint ‘Pim Pandoer. Het spook van Sonsbeek’, deel 10 uit de Pim Pandoer-serie. Die oude dame is Mevrouw Charlotte Eveline baronesse Janssen – Van Spankeren (‘Tante Lotje’). Ze woont in een villa aan de Zypendaalseweg en de drie jongelui logeren bij haar. 

Op een bank tussen de Zwanenbrug en de Kleine Waterval zitten drie mannen: “onfatsoenlijk lui … op een mooie groene bank”. Een korte dikke man komt naast zijn fiets op hen aflopen. De vier mannen hebben weinig goeds in de zin, voel je meteen. Maar wat?

De barones is een verre nazaat van Rudolf Karel Jean baron Van Spankeren die ooit over honderd gouden Caroli-guldens beschikte maar die zijn zoekgeraakt. Zijn geest waart nog rond door Sonsbeek en zal niet rusten tot die gouden guldens weer in handen zijn “van een nakomeling in de rechte lijn” ofwel Tante Lotje. 

 

Sonsbeek als decor

De Grote Waterval is een belangrijk decorstuk in het verhaal evenals de Belvédère, de Tellegenbank, de Fonteinvijver, de Theeschenkerij (‘Theepit’), de Burgemeesterswijk en de Van Heemstralaan. Dat geldt ook voor de afgelegen Imbosch waar Fer Donkers alias Pim Pandoer woont naast zijn pleegvader, de boer Bas Baanders en zijn vrouw Marijke. In het eerste deel van de serie (‘Pim Pandoer. De schrik van de Imbosch’ (1953)) is Pim Pandoer nog een bandiet die, in het zwart gekleed, mensen overvalt onder wie ook de jongelui die in deel 10 bij Tante Lotje logeren. Hij blijkt een dubbelleven te leiden en wordt door zijn pleegvader Bas ontmaskerd als Fer Donkers. Hij wordt gestraft voor zijn overvallen, maar op voorspraak van Bas slechts licht want hij is geen slechte misdadiger. Hij komt tot zijn daden door een oorlogstrauma, opgelopen in een concentratiekamp waar zijn ouders en broer zijn vermoord. Zijn bandieterij is een compensatie voor de narigheid uit zijn jeugd. Pim betert zijn leven en wordt in de latere delen een held die als een soort privédetective strijdt tegen het kwaad en criminele bendes zoals het web van de mysterieuze Rode Spin, waartoe ook de vier mannen op het bankje in het Sonsbeekpark behoren. Pim lost raadselachtige misdrijven op waartoe de wat dommige rechercheurs van de politie op eigen houtje niet in staat zijn. Beke bouwt de spanning in zijn boeken op door tipjes van de sluier op te lichten en gedoseerd nieuwe informatie toe te voegen.

Geen steenhouwer maar onderwijzer

Carel Beke werd in 1913 geboren in Alkmaar als zoon van een steenhouwer. Toen hij vijf jaar was overleed zijn moeder aan tuberculose. Totdat zijn vader in 1920 hertrouwde, verbleef Carel in pleeggezinnen. Zijn vader wilde dat Carel zijn bedrijf zou overnemen, maar hij ging naar de ulo in Alkmaar en later naar de Bisschoppelijke Kweekschool in Beverwijk. Zijn kweekschoolperiode was van grote invloed op hem. Hij had een inspirerende leraar Nederlands en hij kwam er in aanraking met muziekonderwijs en toneel. In die tijd publiceerde hij ook zijn eerste verhaal in een regionale krant, tot ongenoegen van zijn vader. “Wat verbeeldde hij zich wel? De geleerde heer uithangen? En nog wel in een ‘pro-tes-tant-se’ krant!”, schreef zijn zoon Jos in een schrijversbiografie van zijn vader.

Carel Beke midden jaren ‘30 in zijn tijd als onderwijzer in Schagen (Noord-Holland). Foto Collectie Anneke Bolder-Beke

Na de kweekschool werd hij in 1932 onderwijzer in Schagen en kwam zijn veelzijdige creativiteit tot bloei. Zijn dictees waren vervolgverhalen waarin hij de moeilijke woorden van die week verwerkte. En aan het eind van een lesdag vertelde hij een verhaal dat hij ter plekke verzon. In Schagen werd hij een belangrijke motor van het culturele leven. Hij schreef toneelstukken, componeerde muziek en maakte de decors. Zijn eerste boek schreef hij in 1933, maar dat is nooit uitgegeven. In 1935 volgde een tweede boek (‘De schatten van Che Tsuan’,) maar dat verscheen pas in 1948. Op een verjaardag van een collega ontmoette hij zijn grote liefde Mia Brügemann met wie hij in 1936 trouwde en zeven kinderen kreeg in een tijdspanne van 12 jaar. Omdat er meer brood (met beleg) op de plank moest komen, ging Carel studeren voor aktes Frans en Duits.

Slag om Arnhem

Daarmee kreeg hij een beter betaalde baan bij de Bonifatius-ulo in Arnhem en verhuisde het gezin in juli 1944 met vijf kleine kinderen naar de Gelderse hoofdstad. Toen ze daar net ingetrokken waren (op Renssenstraat 10 bij het station) brak de Slag om Arnhem los. Omdat ze vlakbij de vuurlinie woonden en ze in hun souterrain niet veilig waren, zochten ze – met een zieke Carel en vijf kleine kinderen – een veilig heenkomen naar de Hoogkamp. Daar vonden ze tijdelijk onderdak in een villa aan de Jacob Marislaan, samen met andere vluchtelingen. Onder hen ook de veelbelovende jonge taalkundige Willy Dols uit Sittard. Hij had zijn proefschrift over tweeklanken in het Sittardse dialect vrijwel afgerond en logeerde bij zijn zus in Arnhem. De week erop werd de hele Arnhemse bevolking geëvacueerd. Dols bleef bij het gezin Beke om het bij te staan tijdens de evacuatie. De familie Beke wilde naar Friesland, maar strandde na vier dagen vanwege een steeds zieker wordende Carel in Putten op de noordelijke Veluwe.

De razzia van Putten overleefd

In Putten had het verzet op 30 september een aanslag gepleegd op Duitse militairen. De dag erna werden als vergelding 659 (!) mannen in een razzia opgepakt van wie er 601 werden afgevoerd naar het Duitse concentratiekamp Neuengamme bij Hamburg. Maar liefst 552 (!) Puttenaren overleefden dit niet. Beke lag tijdens de razzia doodziek in bed met hepatitis A; hij kon letterlijk niet op zijn benen staan. Bang voor besmetting lieten de Duitsers hem liggen. De geelzucht en het feit dat hij als leraar Duits de taal van de bezetter sprak, waren zijn redding. Willy Dols werd wel afgevoerd en overleed begin november 1944 aan dysenterie in Husum, een buitenkamp van concentratiekamp Neuengamme. De hulp aan het gezin Beke was hem noodlottig geworden. Bij zijn arrestatie kon Dols zijn aktetas met zijn proefschrift nog aan Mia Beke geven met de woorden: ”Wilt u dit voor mij bewaren? Mijn levenswerk zit hierin.”  Zij bewaart het onder in de kinderwagen en geeft het na de oorlog aan Dols’ familie. In 1953 geeft de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen het postuum uit. Het oogstte destijds veel waardering omdat Dols als eerste een dialect beschreef als een zelfstandig taalsysteem terwijl de gangbare opvatting was dat het een afwijking van het ABN was. Diverse universiteiten wilden Dols eerder al als hoogleraar hebben, maar zijn carrière werd in de kiem gesmoord. De titel van Limpens’ biografie zegt alles: ‘Willy Dols 1911-1944. Een verwachting die niet in vervulling mocht gaan.  

‘Vriend voor acht dagen’

Het tragische lot van Dols raakte Beke diep. Als hij niet ziek was geweest was Dols zijn eigen weg gegaan en had het gezin zijn hulp niet nodig gehad tijdens de evacuatie. Niet Dols maar Beke zou dan door de Duitsers zijn weggevoerd. Sporen van deze ervaringen zijn terug te vinden in Beke’s werk. Zo schreef hij in 1946 over Dols het verhaal ‘Vriend voor acht dagen’, maar dat is nooit gepubliceerd evenmin als ‘De kleine vluchteling’. In ‘Vriend voor acht dagen’, waarvan Dols’ biograaf Lei Limpens het manuscript vond in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, beschrijft Beke het verloop van hun vriendschap in een periode van slechts acht dagen, van de eerste ontmoeting met een onbekende, keurige jongeman die onmiddellijk begint te helpen zonder zich op te dringen tot het moment waarop hij – op dag 7 – de aktetas met zijn proefschrift (“mijn levenswerk’) toevertrouwt aan mevrouw Beke en – op dag 8 – wordt afgevoerd, een abrupt afscheid voor de doodzieke Carel Beke die achterblijft met een schuldgevoel. Dols draagt koffers, houdt de kinderen bijeen, regelt eten en onderdak in scholen en schuren, onderhandelt met boeren, maakt grapjes met de kinderen… wordt van medereiziger de grote steunpilaar van het gezin. 

‘Twee vreemde zwervers’

Wel gepubliceerd is de roman ‘Twee vreemde zwervers’ (1951). Daarin komen veel gebeurtenissen voor die verwijzen naar Beke’s eigen ervaringen voor, tijdens en na de razzia in Putten. Eén van de vreemde zwervers is Peter Barning die uit Schagen naar Oosterbeek verhuisd is en in september ’44 uit Arnhem moet vluchten. Terwijl hij gewond in een noodziekenhuis in Putten ligt, wordt zijn vader tijdens een razzia opgepakt en weggevoerd naar concentratiekamp Husum. Peter, die door zijn verwondingen niet meer kan praten (waarmee Beke mogelijk verwijst naar zijn eigen onvermogen om over zijn oorlogservaringen te praten), gaat later op zoek naar zijn vader, gesteund door de tweede ‘vreemde zwerver’ Karoly waarin eigenschappen van Dols te herkennen zijn zoals diens zorgzaamheid. Volgens Dols’ biograaf Limpens is het boek een literaire verwerking van Beke’s oorlogservaringen en zijn ontmoeting met Dols. Dat Beke Dols niet als herkenbaar romanfiguur opvoert, verklaart Limpens uit Beke’s schuldgevoelens over Dols’ dood. Die zouden wel eens te groot geweest kunnen zijn om hem als romanpersonage te gebruiken. Beke wilde vooral een traumatische periode uit zijn leven ‘van zich afschrijven’ en geen documentaire roman schrijven. De drie hoofdfiguren (Peter, Karoly, Peters vader) zijn volgens Limpens afspiegelingen van Beke zelf, van zijn rollen in de oorlog als kwetsbaar slachtoffer, zoekende volwassene en vader die zijn gezin dreigt te verliezen. Waar in ‘Vriendschap voor acht dagen’ Dols centraal staat, is Beke dat in ‘Twee vreemde zwervers’. 

Dagelijkse wandeling door Sonsbeek

Het gezin Beke verbleef tot na het einde van de oorlog in Putten en keerde pas in juli 1945 terug naar Arnhem. Daar hervatte Carel zijn werk aan de Bonifatius-ulo. Het gezin – met inmiddels zes kinderen – ging weer op Renssenstraat 10 bij het station wonen. In 1956 verhuisde het naar Burgemeester Weertsstraat 37 en in 1962 – toen de Pim Pandoerboeken en zijn schoolboeken meer opleverden dan zijn leraarschap – naar Johannes Vermeerstraat 10. Vanwege de slechte gezondheid van zijn vrouw Mia verhuisde Carel in 1988 naar appartementencomplex Aerenheem in de Burgemeesterswijk waar zijn vrouw in 1991 overleed. Carel woonde er tot 2006 toen hij vanwege enkele hersenbloedingen werd opgenomen in een verpleeghuis in Velp, waar hij in 2007 overleed. Op de laatste dag van dat jaar werd hij gecremeerd. “Terwijl buiten het vuurwerk knalde”, vertelt dochter Anneke, “ging zijn kist als laatste van 2007 de oven in. Dat had wel iets moois.”

Elke morgen liep Beke door Park Sonsbeek naar zijn school aan de Hommelseweg en ‘s middags weer terug. Daarnaast maakte hij veel wandelingen door Sonsbeek en Zypendaal, liefst in zijn eentje en vaak in mistig of regenachtig weer. “Hij filosofeerde en fantaseerde dan, en thuisgekomen schreef hij op wat hij bedacht had”, vertelde zijn jongste dochter Anneke in 2013 in het Bulletin van de Vrienden van Sonsbeek. “Als mijn moeder en ik hem ‘s middags tegemoet liepen door het park, liep hij zó in gedachten verzonken dat hij ons voorbij zou zijn gelopen als we niets hadden gezegd. Hij was een in zichzelf gekeerde, melancholieke man en daar paste het park goed bij, vooral bij regen en storm.”

Doorbraak als schrijver

Vanaf het moment dat hij kon schrijven, hield Beke een dagboek bij, soms in een geheimschrift dat hij later zelf niet meer kon ontcijferen. Zijn zoon Jos vond later 4.800 pagina’s aan dagboeken. De privé-delen ervan hebben zijn kinderen nooit gelezen en bij zijn crematie in de kist gestopt. 

Schrijven was voor Beke zoiets als ademen. Hij deed het tot aan zijn dood op 94-jarige leeftijd, in een verpleeghuis in Velp. Daar maakte hij, bedlegerig, met zijn arm nog schrijfbewegingen in de lucht. 

Voor de oorlog schreef Beke al boeken, maar hij vond er geen uitgever voor hoewel hij daar wel zijn best voor deed. Zijn doorbraak kwam in 1948. Zijn vrouw Mia was ziek en Carel deed het huishouden. Op een zondag hing hij buiten achter hun huis aan de Renssenstraat de was op. Dat kwam hem op een anonieme boze brief te staan van een van de buren: hij moest de was elders ophangen, het was hier geen achterbuurt. Carel schreef er een verhaal over: ‘Vuile was in een nette buurt. Ballade van de Vlaggenzondag’. Het werd gepubliceerd in het Volksweekblad en viel bij de lezers in de smaak. Daarom kreeg hij een veel gelezen wekelijkse rubriek waarvoor hij ruim driehonderd stukjes schreef. Omdat boeken geen aftrek vonden en korte verhalen en feuilletons wel, stortte hij zich daarop. In totaal schreef hij er zo’n 1.500 voor bekende jeugdbladen als Okki, Taptoe en Donald Duck, en daarnaast ook hoorspelen voor de KRO-radio.

Carel Beke in 1959 achter zijn typemachine. Foto Collectie Anneke Bolder-Beke

Rateltijdperk

Begin jaren vijftig vroeg uitgeverij Malmberg hem een boek te schrijven voor jongens en meisjes van een jaar of dertien. Er mocht geen bloed vloeien, geen godsdienst in voorkomen en ook geen seks. Het moest wel spannend zijn, net als de goed lopende Arendsoog-boeken (ook van Malmberg), die over cowboys en Indianen gingen. Van Beke verwachtte de uitgeverij een echt Nederlands boek. Het moest in machineschrift worden aangeleverd. Daarom kocht Beke een robuuste Triumph-typemachine, het begin van het ‘rateltijdperk’ in huize Beke. In de herinnering van zoon Jos schoof zijn vader na het avondeten Carel het tafelkleed opzij, pakte zijn Triumph uit de kast en begon hij te ratelen. Zijn kinderen keken vaak over zijn schouder mee en riepen soms “Pa, schiet eens op, het wordt spannend.” Later schreef hij in een werkkamer, met altijd klassieke muziek op de achtergrond.

Pim Pandoer

In 1953 verscheen ‘Pim Pandoer. De schrik van de Imbosch’. Hoofdfiguren waren een Amsterdamse twee-eiige tweeling, een jongen en een meisje die Beke met elkaar kon laten omgaan zonder dat lezers er iets achter konden zoeken. Die kwam logeren in Arnhem en werd op een fietstocht in de bossen rond de Imbosch beroofd door een struikrover. Beke reed er vaak rond op zijn scooter en vond de donkere bossen, de afgelegen boerderij en de modderige wegen een mooi decor voor een spannend boek. 

De boeken vlogen weg en de uitgever vroeg meteen om een tweede deel. Omdat het de lezers niet om de tweeling te doen was maar om Pim Pandoer, maakte hij die tot hoofdpersoon en vormde hem om van goedaardige schurk tot een held. Sommige Pim Pandoerboeken spelen in de omgeving van Arnhem, andere elders in Nederland, in het buitenland (Frankrijk, Schotland) of in meer exotische gebieden zoals de tropen of de poolgebieden. Na 18 delen hield Beke er in 1969 ineens mee op. “Ik wist niet meer wat ik Pim Pandoer moest laten beleven”, vertelde hij in 2003 in een van de weinige interviews. Over de verfilming van de eerste twee Pim Pandoerboeken in 1975 door Henk van der Linden (die ook Pietje Bell, Dik Trom en Sjoers en Sjimmie verfilmde) was hij zo teleurgesteld dat hij later aan Joop van den Ende geen toestemming gaf er voor RTL een hele serie van te maken.

De complete serie Pim Pandoerboeken in de kast van Anneke Bolder-Beke. Foto Henk Donkers

Tientallen andere boeken

Beke is vooral bekend geworden door zijn Pim Pandoerboeken, maar hij schreef tientallen andere jeugdboeken en leesmethodes voor het katholiek onderwijs. De Pim Pandoers vond hij ook niet zijn beste boeken. Zelf was het meest trots op ‘Toivo, de gestolen zoon’ (1955) over een jongen in Lapland, die, zonder het te weten, wordt opgevoed door een andere dan zijn biologische vader. Zijn moeder heeft hem tijdens een sneeuwstorm uit de rendierslee laten vallen. “Het is het enige boek van mijzelf dat ik nog wel eens herlezen heb”, zei hij in 2003 tegen De Gelderlander die hem interviewde ter gelegenheid van zijn 90e verjaardag. 

Abrupt einde schrijverschap

In 1972 was hij aan zijn honderdste boek begonnen, maar hij heeft het niet afgemaakt. Hij maakte een abrupt einde aan zijn schrijverschap. Waarom is nooit duidelijk geworden. Ook zijn kinderen tasten daarover in het duister. Hij bleef wel schrijven, maar dan voor zichzelf, in zijn dagboeken en (na 1991) aan zijn overleden vrouw: ‘Aan Mia. Adres onbekend’. 

Beke leidde een tamelijk teruggetrokken leven. “Hij ontving zelden bezoek, ging nooit naar verjaardagen, zelfs niet naar de uitvaart van overleden familieleden of vrienden. Hij feliciteerde en condoleerde schriftelijk”, aldus zoon Jos in een artikel over zijn vader in het Arnhems Historisch Tijdschrift.

Carel Beke in 1998 toen hij in appartementencomplex Aerenheem (Van Nispenstraat, Burgemeesterswijk, Arnhem) woonde. Foto Collectie Anneke Bolder-Beke

Bronnen: Jos Beke, Carel Beke (1913-2007). Een ‘gewone’ schrijver. Arnhems Historisch Tijdschrift 2010/4 p222-229; Werner Bossmann, De meester is jarig, De Gelderlander, 25 september 2003; Esther Hageman, Carel Beke (1913-2007), Trouw 9 januari 2008; Gerard Herbers, Pim Pandoer en het Spook van Sonsbeek, Bulletin Vrienden van Sonsbeek, herfst 2013; Lei Limpens. Willy Dols 1911-1944; een verwachting die niet in vervulling mocht gaan.Born: Euregionaal Historisch Centrum Sittard-Geleen, 2011; Marc van Oostendorp, De tragische dood van een taalgeleerde. Lei Limpens schrijft biografie over Willy Dols. Onze Taal. Jaargang 80; Margreet van Wijk, Carel Beke. Lexicon van de jeugdliteratuur, februari 2012; Margreet van Wijk, Een onbekend aspect van het werk van Carel Beke, Berichten uit de wereld van het oude kinderboek, no.79, december 2013.:

Geef een reactie

Your email address will not be published.

Vorige Bericht

Ome Joop’s Tour met tachtig kinderen van start gegaan

Volgende Bericht

Met de camper of caravan terug van vakantie? Zo lang mag die voor de deur staan in Arnhem

Laatste berichten

Ga naarBoven